Het Hoendiep, ik kan het moeilijk verklaren, is een water waar ik graag langsrijd. Ik weet nog niet in welke richting het liefst. Vanuit de stad Groningen het land in, of vanuit het land naar de stad. Nu had ik geen keus en ik slingerde langs de nieuwbouw van Zuidhorn naar het kruispunt met de N111. Wie daar oversteekt, komt pas echt langs het Hoendiep: wilgen, populieren, weilanden, en altijd in de verte de stomende schoorstenen van de suikerfabrieken van Hoogkerk en Groningen.
Daar ging ik.
Ik schreef een keer een stukje over de gruwelijke verkeersdood van vijf jongeren uit Enumatil die langs het Hoendiep tegen een boom waren geknald; alle vijf dood. Hun dorp, hun thuis, was al in zicht – had de bestuurder het honderd meter langer volgehouden, ze waren nog in leven geweest. Destijds bezocht ik de boom die in een monument was veranderd, verder onaangedaan, en ik was getuige vaneen kleuterklas die vanuit Enumatil met twee juffen op kop onderweg naar de plek des onheils. Hartverscheurend, gruwelijk en zinloos.
Sindsdien passeerde ik die plek vaak, en altijd hield ik even in of stopte ik. Ik kan niet precies verklaren waarom. Misschien omdat ik het die ene keer voor het eerst deed, misschien omdat zinloze doden en de hopeloze, geïmproviseerde monumentjes voor hun nagedachtenis altijd diepe indruk op mij hebben gemaakt. Hoe dan ook: op mijn manier, en om mijn eigen redenen, was ik gehecht aan die boom.
Maar hij stond er niet meer. Sterker nog: de hele bomenrij links van de weg bij het naderen van Enumatil was verdwenen en vervangen door nieuwe, verse, kleine boompjes, nog groeiend langs palen.
Ik vond het vreemd. Aan de ene kant wel de tragische bomenrij kappen, aan de andere kant nieuwe bomen planten – alsof ook die niet weer tot grote, machtige, onverzettelijke reuzen zouden kunnen uitgroeien. Ik stopte, en stapte uit. In het weiland aan de overkant van het smalle slootje loeide een koe, in het Hoendiep dreven twee eenden. Een stuk of zes ganzen stegen net op om hun lange reis naar het zuiden te gaan maken. Het duurde even, maar toen hadden ze de juiste formatie en kopman te pakken. Ik keek ze na tot mijn ogen traanden. Toen liep ik langs de dunne, lullige boompjes, tot ik bij een klein zuiltje kwam. Er was een plexiglazen plaatje op gemonteerd, met daaronder op een stuk papier de vijf namen:
Richard
Baukje
Ype
E.P.
Gerben.
In Gods hand geborgen, stond erbij; 7 december 2002. aan de voet van het zuiltje, nauwelijks twintig centimeter hoog, was een rieten mand geplaatst waar nog niet zo lang geleden wat heide in had staan bloeien. Nu was de struik grauw en bruin.
Ik keek een tijdje naar die namen en vervolgens naar het dorp verderop, een kerkje, een brug over het Hoendiep, een bocht in de weg, een bushalte. Ik dacht aan Gods hand, maar kon me er niets bij voorstellen.
Even later reed ik weer – door het dorp, langs het Hoendiep, nu recht op Hoogkerk af. De bushaltes langs de weg hadden namen als Perceel 10 en Boerderij. Hier en daar langs de waterkant zat een man te vissen, en dat deed me weer aan mijn beppe denken.
De wind stond zo dat de suikerwolken mijn kant op kamen, en allengs leek het wel alsof ik in een grijze mist kwam te rijden. Het rook naar zoetigheid en ik dacht aan suikerstroop, vroeger in gele potten waar met ernstige letters CSM op stond, tegenwoordig in domme schenkflessen. Met roggebrood, lekker. De stad kwam steeds dichterbij, maar het land had zich in me vastgezet. Ik probeerde aan die laatste zaterdagavond van Richard, Baukje, Ype, E.P. en Gerben te denken. Naar Lucas en Gea geweest in Zuidhorn, en dan naar huis, een steenworp eigenlijk maar. En dan die flauwe bocht missen, in het zicht van het einddoel. In Gods hand geborgen. Ja, een ritje langs het Hoendiep stemt altijd nederig.
Uit: Bril, Martin – Jongensjaren, blz 25 – 27, 1e druk, Promotheus Amsterdam, 2010