Stef Bos – Gebed

Water zonder land

Zee zover we zien

De diepte is onpeilbaar

De horizon staat stil

Dolfijnen in het kielzog

Haaien voor de boeg

De wind heeft ons verlaten

Wij kunnen nergens naartoe

De zon is ongenaakbaar

Wij drijven in de hel

Het mes op onze keel

Onze dagen zijn geteld

De een drinkt zich te pletter

De einde sluit zijn ogen

Het einde is nabij

Maar ik, ik blijf geloven

Heer geef ons uw genade

Heer haal ons hier uit

Waarom hebt gij ons verlaten

Heer breng ons thuis

De vlag van Herenzeventien

Het kruit en de kanonnen

Wij hebben ooit de zeeslag

Van Duinkerken overwonnen

Wij hebben over land

De Spanjaard weggejaagd

En de prinsen van Oranje

Hebben ons met goud betaald

Nu is het windstil rond de evenaar

We drijven stuurloos rond

Als doden op een spookschip

Dat nooit de haven vond

De helden van de zeeslag

Zijn verslagen door de zondag

Wij sterven hier als ratten

En ik, ik bid tot God

Heer geef ons uw genade

Heer haal ons hier uit

Waarom hebt gij ons verlaten

Heer breng ons thuis

De stuurman ligt te sterven

Met zijn bijbel in zijn kooi

De scheurbuik heeft de meute

In zijn klauwen als een prooi

En ik ben nog de enige

Die uitkijkt op het land

De rest is naar de hel toe

Of ze staan daar op de rand

De stemmen zijn verdwenen

Niemand in de mast

De zon is ongenaakbaar

De golven zijn ons graf

Ik heb niet lang te leven meer

En dit is mijn gebed

Haal mij naar de hemel heer

Haal mij weg

Heer geef mij uw genade

Heer haal ons hier uit

Laat de wind mij

Naar de hemel brengen

Breng ons thuis

© Stef Bos, 2009

30 April 2010
By on 12:20
Einde seizoen

Het gewone seizoen loopt alweer aardig op zijn eind – hoewel we in de zomervakantie ook een aantal bijeenkomsten hebben gepland. Desondanks is het wel leuk en gezellig om het seizoen af te sluiten met een activiteit. Vorig jaar zijn we uit eten geweest, met een avondje bowlen daar achter aan. Dat kan dit jaar worden herhaald, maar iets anders is ook goed natuurlijk.

Wie heeft een idee, en wil dat plan uitvoeren met iemand anders? Suggesties zijn welkom op dit blog!

18 April 2010
By on 20:21
Voorstudie 18 april

Aanstaande zondag leest meneer De Zoete een preek. Voorstudie is daarom lastig te geven. Dus vandaar geen voorstudie op dit blog. Desondanks, mocht je zondag wat eerder in de kerk zijn, kun je de tekst van tevoren al lezen, en op die manier wat voorstudie doen. Bijvoorbeeld. Wees in ieder geval creatief in het beantwoorden van de volgende vragen:

1. Wat vond je goed in de preek?
2. Wat vond je minder sterk?
3. Was de preek zoals je had verwacht, op basis van de voorstudie?

Zie julie zondag.

14 April 2010
By on 09:04
Martin Bril – Geloof

Toen ik ergens halverwege de jaren zeventig van mijn geloof viel, was er geen steuncomité van intellectuelen dat mij met raad en daad, voedselpakketten, onderduikadressen en vlammende stukken op opiniepagina’s terzijde stond.

Gelukkig maar.

Mijn geloof kreeg ik met de paplepel ingegoten. Zo hoort het natuurlijk ook. Op een andere manier krijg je de mensen niet zo gek. Het was aanvankelijk een prima geloof; ik had er geen problemen mee dat ik na een leven vol goed gedrag in de hemel zou komen. Wat ik zo rond mijn zestiende wel bezwaarlijk vond, was dat ik iedere zondag twee keer naar de kerk moest, en ook één keer vond ik al te ver gaan. Iedere dag bidden en bijbellezen voor het warme eten, waren daarentegen een eitje. Al doende kon je aan iets anders denken. Mijn geloofsopvatting zou je dus, samenvattend, laks en oneerbiedig kunnen noemen, en dat gaf conflicten met het boven mij gestelde gezag – mijn ouders, de dominee, ooms en tantes en de jeugdouderling.

Ik radicaliseerde.

Zo heette dat toen niet, maar zo zouden we het nu wel noemen. Ik werd lid van Youth for Christ (net als Wouter Bos), ik deed aan bijbelstudie onder leiding van Elly en Rikkert Zuiderveld, ik danste voor de Heer in vreemde witte gewaden en las De planeet die aarde heette van Hal Lindsey, een huiveringwekkende analyse van de bijbelse openbaringen, die erop neerkwam dat het einde der tijden voor de deur stond. Nachtenlang discussieerde ik met vrienden en vriendinnen over Jezus en de liefde. We dronken heel veel thee met rietsuiker, en hielden elkaar stevig vast. We droegen schipperstruien. Ook was er veel gitaarspel. Mijn wangen vielen in, ik liet een baard staan, had een groot houten kruis aan een ketting om mijn hals en zag overal het werk van satan. Met mijn ouders had ik nog steeds ruzie, ja, zelfs meer dan dat.

Dit alles op de Veluwe.

Mijn broeders en zusters van de gespreks- en bijbelgroepen gingen nog harder dan ik, en op zeker moment begonnen ze in hocus pocus te geloven. Overal om ons heen was ineens sprake van wonderbaarlijke genezingen en spectaculaire bekeringen, alles het onmiddellijke gevolg van ons harde bidden en zingen. Het begon mij nu toch een beetje heet onder de voeten te worden, en mijn geloof wankelde. Toen mijn beste vriend er met mijn meisje vandoor ging en zich verdedigde met argumenten uit de Heilige Schrift, was de maat vol – ik verliet de Veluwe en ging in Groningen studeren.

Daar kreeg ik op een regenachtige avond bezoek van een studentendominee. Kennelijk had ik bij het inschrijven aan de Rijks Universiteit Groningen vermeld dat ik van gereformeerden huize was, en de prediker kwam informeren hoe de zaken ervoor stonden en wanneer ik van plan was ter kerke te verschijnen. Het was, herinner ik mij, een aardige, goedlachse man met appelwangen, maar een zinnig gesprek konden we niet voeren, want alles wat hij zei viel zogezegd op koude, dode aarde, geen enkel woord schoot wortel.

Toen hij uiteindelijk, nog even goedlachs, en niet boos, maar verdrietig, mijn schamele studentenwoning verliet, had ik best een beetje met hem te doen. Hij had weliswaar het eeuwig leven voor zich, maar hij torste toch ook een bijna ondraaglijk gelijk met zich mee. Ik daarentegen was afvallig, en eenzaam, of andersom. Het een kon ook nog wel eens het gevolg zijn van het ander, en dat leek, en lijkt me, de beste toestand om in te verkeren; een hard, maar vrolijk lot.

Uit: Bril, Martin – Jongensjaren, blz. 113 – 115, 1e druk, Promotheus Amsterdam, 2010

11 March 2010
By on 09:29
Martin Bril – Hoendiep

Het Hoendiep, ik kan het moeilijk verklaren, is een water waar ik graag langsrijd. Ik weet nog niet in welke richting het liefst. Vanuit de stad Groningen het land in, of vanuit het land naar de stad. Nu had ik geen keus en ik slingerde langs de nieuwbouw van Zuidhorn naar het kruispunt met de N111. Wie daar oversteekt, komt pas echt langs het Hoendiep: wilgen, populieren, weilanden, en altijd in de verte de stomende schoorstenen van de suikerfabrieken van Hoogkerk en Groningen.

Daar ging ik.

Ik schreef een keer een stukje over de gruwelijke verkeersdood van vijf jongeren uit Enumatil die langs het Hoendiep tegen een boom waren geknald; alle vijf dood. Hun dorp, hun thuis, was al in zicht – had de bestuurder het honderd meter langer volgehouden, ze waren nog in leven geweest. Destijds bezocht ik de boom die in een monument was veranderd, verder onaangedaan, en ik was getuige vaneen kleuterklas die vanuit Enumatil met twee juffen op kop onderweg naar de plek des onheils. Hartverscheurend, gruwelijk en zinloos.

Sindsdien passeerde ik die plek vaak, en altijd hield ik even in of stopte ik. Ik kan niet precies verklaren waarom. Misschien omdat ik het die ene keer voor het eerst deed, misschien omdat zinloze doden en de hopeloze, geïmproviseerde monumentjes voor hun nagedachtenis altijd diepe indruk op mij hebben gemaakt. Hoe dan ook: op mijn manier, en om mijn eigen redenen, was ik gehecht aan die boom.

Maar hij stond er niet meer. Sterker nog: de hele bomenrij links van de weg bij het naderen van Enumatil was verdwenen en vervangen door nieuwe, verse, kleine boompjes, nog groeiend langs palen.

Ik vond het vreemd. Aan de ene kant wel de tragische bomenrij kappen, aan de andere kant nieuwe bomen planten – alsof ook die niet weer tot grote, machtige, onverzettelijke reuzen zouden kunnen uitgroeien. Ik stopte, en stapte uit. In het weiland aan de overkant van het smalle slootje loeide een koe, in het Hoendiep dreven twee eenden. Een stuk of zes ganzen stegen net op om hun lange reis naar het zuiden te gaan maken. Het duurde even, maar toen hadden ze de juiste formatie en kopman te pakken. Ik keek ze na tot mijn ogen traanden. Toen liep ik langs de dunne, lullige boompjes, tot ik bij een klein zuiltje kwam. Er was een plexiglazen plaatje op gemonteerd, met daaronder op een stuk papier de vijf namen:

Richard

Baukje

Ype

E.P.

Gerben.

In Gods hand geborgen, stond erbij; 7 december 2002. aan de voet van het zuiltje, nauwelijks twintig centimeter hoog, was een rieten mand geplaatst waar nog niet zo lang geleden wat heide in had staan bloeien. Nu was de struik grauw en bruin.

Ik keek een tijdje naar die namen en vervolgens naar het dorp verderop, een kerkje, een brug over het Hoendiep, een bocht in de weg, een bushalte. Ik dacht aan Gods hand, maar kon me er niets bij voorstellen.

Even later reed ik weer – door het dorp, langs het Hoendiep, nu recht op Hoogkerk af. De bushaltes langs de weg hadden namen als Perceel 10 en Boerderij. Hier en daar langs de waterkant zat een man te vissen, en dat deed me weer aan mijn beppe denken.

De wind stond zo dat de suikerwolken mijn kant op kamen, en allengs leek het wel alsof ik in een grijze mist kwam te rijden. Het rook naar zoetigheid en ik dacht aan suikerstroop, vroeger in gele potten waar met ernstige letters CSM op stond, tegenwoordig in domme schenkflessen. Met roggebrood, lekker. De stad kwam steeds dichterbij, maar het land had zich in me vastgezet. Ik probeerde aan die laatste zaterdagavond van Richard, Baukje, Ype, E.P. en Gerben te denken. Naar Lucas en Gea geweest in Zuidhorn, en dan naar huis, een steenworp eigenlijk maar. En dan die flauwe bocht missen, in het zicht van het einddoel. In Gods hand geborgen. Ja, een ritje langs het Hoendiep stemt altijd nederig.

Uit: Bril, Martin – Jongensjaren, blz 25 – 27, 1e druk, Promotheus Amsterdam, 2010

7 March 2010
By on 11:37
Waardigheid

De race van zijn leven. In één minuut, vijfenveertig seconden en zevenenvijftig honderdsten geven Tuitert heldenstatus.

Het verhaal gaat over een hardloper, favoriet op de Spelen van 1924 op de 100 meter. Vóór de wedstrijd doet hij zijn relaas aan zijn masseur, terwijl hij de tienduizenden toeschouwers voelt joelen, liggend op de massagetafel. De mensen hebben een held van hem gemaakt, maar om die status te rechtvaardigen moet hij winnen. Vaker was hij bang om te verliezen, maar nu is hij zelfs bang om te winnen.

Hij realiseert zich namelijk de fragiliteit van zijn bestaan. Honderd meter, een strookje van één meter breed had hij, om te laten zien dat hij er mocht zijn, dat hij iets voorstelde. Dat hij ie-mand-was. Hij realiseerde zich zijn gevangenschap en dat dat niet de waarheid van het leven kon zijn. Dat zijn waardigheid niet af kon hangen van tien seconden, van één sprint over een smal strookje gravel.

Toch is het exact daar waar de Spelen om draaien. We geven de winnende sporters een heldenstatus waarmee we de held feitelijk geen dienst bewijzen. Want buiten de oprechte vreugde die het ze oplevert, schenken we ze vooral de ellendige identiteit gebaseerd op één race, op tien seconden sprinten, of één minuut, vijfenveertig seconden zevenenvijftig honderdsten. We geven hen dat, waar de hardloper in 1924 zo bang voor was.

De Spelen zijn een metafoor voor het leven. De mens die zichzelf opzadelt met dezelfde strijd, de wanhopige zoektocht naar waardigheid. We rennen, zoeken en presteren ons wezenloos, om maar het gevoel te hebben dat we nuttig zijn, dat we niet voor niets op aarde zijn, dat ons bestaan zin heeft. Gedreven door de angst om maar niet minder te zijn dan een ander. Eenmaal iets gepresteerd en bejubeld, realiseren we ons dat dat het niet is waarom we gewaardeerd willen worden.

We willen gewaardeerd worden om wie we zijn, ten diepste, in het nachtlicht, als niemand kijkt, het moment dat we niet strijden. God zij geprezen voor dat Grote Alternatief, voor Het Grote Antwoord. Een intens liefhebbende Vader die ons leven eeuwigheidswaarde geeft. Die ons ontslaat van de gevangenschap der zelfrechtvaardiging.

Bron: www.geertplender.nl

23 February 2010
By on 15:47
Voorstudie zondag 21 februari

Tekst: Marcus 9:24

Preek in het kort:
Mensen hebben wensen. De wens van de vader uit dit gedeelte is tot nu toe onvervuld gebleven. Zijn zoon kon zelfs niet door de leerlingen van Jezus genezen worden. Epilepsie. Een demon. Kortom: een verschrikkelijk lijden. de jongen valt in water en vuur.
Kan Jezus iets doen? –> Alles is mogelijk voor wie gelooft. Voor ons een lastige uitspraak. Want betekent dat, dat gelovige mensen door hun geloof altijd beter worden?
Wat is de betekenis hiervan? Jezus heeft Gods Koninkrijk zichtbaar gemaakt. We leven (nog niet) in het paradijs. Maar het paradijs komt in beeld, ook al doorstaat een mens soms de ergste gruwelen. We vragen aan God, of Hij ons uit de passiviteit van ons ongeloof wegtrekt, zodat er ruimte komt voor geloof. Daarmee kan een christen een groot getuigenis aan de wereld geven.

Thema van de preek:
Alles is mogelijk voor wie gelooft.
1. de gebrekkigheid van ons geloof; 2. de helper van ons geloof; 3. de vervulling van ons geloof.

19 February 2010
By on 01:20
Uit de kast

Ik heb nooit echt geloofd dat zij uit de kast was. Zelf spreekt ze over een speciale klik met dat meisje. Zij voelt iets voor dat meisje, wat ze bij niemand voelt. Dat was vorig jaar. Die klik en dat speciale geloofde en geloof ik wel. Maar of dat gelijk staat aan verliefdheid, vroeg ik me vanaf het begin af.

Dat meisje was wel verliefd op haar. Zij gaf haar ook een boel aandacht. Zoveel, dat ze haar relatie met haar vriendin verbrak. Voor haar nieuwe vlam. Maar die nieuwe vlam, diep in haar hart heeft ze altijd een zwak gehouden.

Een zwak voor oudere mannen, met een leeftijdsverschil van ongeveer tien jaar. Zoals die man van om de hoek. Die nu samenwoont met zijn vriendin.

Een zwak voor mannen in pak. Zoals die zanger/acteur.

Maar niet voor meisjes. Dat ze toch voor dat meisje is gevallen, heeft te maken met de geboden aandacht. Haar vriendin begreep dat, gaf haar de aandacht die ze nodig had. Voor wat het waard is.

17 February 2010
By on 12:31
God bestaat niet, God gebeurt

Volgens Klaas Hendrikse is God niet een wezen, maar een proces. God gebeurt, wat volgens de vrijzinnige dominee ook in Zijn naam naar voren komt. Het is niet: ‘Ik ben’, maar: ‘Ga maar, Ik ga met je mee’. Met die opmerking tast hij wel of niet de fundamenten van de Protestantse Kerk in Nederland aan.

In de wat orthodoxere kerken is Hendrikse met zijn uitspraken not done. God bestaat wel degelijk. Toch bekruipt mij het idee dat de wat evangelische jeugd niet eens ver weg staat van Hendrikse. We hebben al gauw de mond vol over dat God liefde is, en dat we die liefde moeten doen, uitstralen richting de mede-mens. De liefde, het kernwoord van het Evangelie en de wet van Mozes, die aan het Evangelie ten grondslag ligt.

De grens tussen God bestaat in de liefde en God gebeurt met de liefde wordt volgens mij dan erg vaag. Ik hoop maar dat we blijven belijden dat God bestaat. En dat het Godsbestaan voor ons het fundament is om de liefde uit te stralen. Dat deze twee christelijke waarheden elkaar niet uitsluiten, maar juist versterken.

8 February 2010
By on 18:44
De aantrekkingskracht van het geloof

Download ringo_starr__ik_heb_god_gevonden.pdf

6 February 2010
By on 19:47